Leerling uit het lager– en secundair onderwijs met een inschrijvingsverslag (= attest en protocol) dat hem toelaat tot het buitengewoon onderwijs type 2 (= matige tot ernstige beperking), die het gewoon onderwijs volgt of gaat volgen en waar al de betrokkenen (school, leerkrachten, ouders, CLB) het project steunen.

In principe staat inclusief onderwijs open voor elke leerling die een probleem heeft in het gewone onderwijs. In functie van de zijn beperking moet men inschatten waar het kind het best zal evolueren. Kind per kind moet men dus bepalen of inclusief onderwijs de optimale optie is om het kind te laten opgroeien, leren, beleven en gelukkig zijn. Het belang van het kind moet hier steeds voorop staan. Of inclusief onderwijs al dan niet de ideale optie is, dan wel dat het kind beter opgroeit in de specifieke setting van het buitengewoon onderwijs, hangt van vele factoren af zoals:

  • de kenmerken van de beperking van het kind
  • de graad van deze beperking
  • sociale ingesteldheid van het kind
  • medische factoren
  • de visie en ingesteldheid van de ouders van het kind
  • de school- en klasomgeving waarin het kind terechtkomt
  • de mogelijkheden aan extra ondersteuning die kan geboden worden
  • de motivatie van het kind zelf